Dynamismen

Dynamismen zijn "De intra-mentale factoren die ontwikkeling vormgeven" (bron: K. Dabrowski, Multilevelness of emotional and instinctive functions, Lublin 1996). Het is een combinatie van instincten, drijfveren en intellectuele processen, gecombineerd met emoties. Er zijn twee groepen dynamismen te onderscheiden: oplossende en ontwikkelende dynamismen.
In primaire integratie zijn geen dynamismen aan het werk. Pas op het niveau van eenlagige desintegratie beginnen oplossende dynamismen een rol te spelen, omdat ze zorgen voor het uiteenvallen van de bestaande structuur. In elk ontwikkelingsstadium spelen andere dynamismen de hoofdrol. Het is echter niet zo, dat deze ontwikkelingsstadia en dynamismen elkaar in min of meer duidelijke volgorde opvolgen. Nee, zij lopen naast elkaar en door elkaar (getuige het meerlagige karakter). Globaal kan wèl worden gezegd, dat bepaalde dynamismen op een bepaald niveau in de ontwikkeling meer naar de voorgrond treden. De dynamismen die in een eerder stadium actief waren, worden minder actief in het proces en zullen uiteindelijk verdwijnen. Ontwikkelende dynamismen zorgen voor opbouw van de eigen hiërarchie van waarden, nadat oplossende dynamismen hun werk gedaan hebben. De nieuw ontstane structuren bestaan naast de oude structuren, of in plaats van, maar er is geen sprake van 'evolutie uit bestaande structuren' (het is namelijk geen waarde-oordeel: het één is niet beter dan het ander).

Oplossende dynamismen zijn:
* Ambivalentie: Gevoel van wel of niet waarderen gekoppeld aan acties of gevoelens. Stemmingswisselingen. Gelijktijdige tegenstrijdige gevoelens (zoals superioriteit- minderwaardigheid of vermijden-benaderen)
* Ambitendentie: Verlangens die onverenigbaar zijn met elkaar. Besluiteloosheid. Conflicterende acties.
* Verwondering over je zelf: Verbazing over eigen (verstandelijke) vermogens. Jezelf bekijken 'van buitenaf'.
* Ongemakkelijkheid met jezelf: Eigen tekortkomingen zien. Zelfkritisch.
* Gevoelens van inferioriteit: Gevoel minder te zijn dan een ander. Begin van de eigen hiërarchie van waarden. "Ik ben op punt A, maar ik wil op punt B zijn".
* Ontevreden met het zelf: Afkeuring, boosheid, agressie naar het zelf. Pogingen aan je zelf te ontsnappen.
* Schaamte en schuld: Het beeld dat (je denkt dat) anderen hebben van je zelf. Beschaamdheid naar je zelf en eigen idealen. Verantwoordelijkheidsgevoel voor eigen tekortkomingen en imperfecties.
* Creatief instinct: Individuele zoektocht naar ervaringen die kwalitatief verschillen van eerdere ervaringen.
* Positieve onaangepastheid: Verwerpen van opgelegde en aangeleerde waarden, gebaseerd op een bewust eigen gecreëerde hiërarchie van waarden. (on)Aangepastheid bestaat uit 4 fasen:
- negatieve onaangepastheid: Wat we zien als crimineel en asociaal gedrag.
- negatieve aangepastheid: Aanpassing aan de hiërarchie van waarden van de sociale omgeving.
- positieve onaangepastheid: Onderdeel van het ontwikkelingsproces, zoals hierboven beschreven.
- positieve aangepastheid: Aanpassing aan de naar eigen ontwikkelde hiërarchie van waarden, die zelfontdekt en bewust gevolgd worden.

Ontwikkelende dynamismen:
* Verantwoordelijkheid nemen voor jezelf en anderen: Eigenaar zijn en verantwoordelijkheid nemen voor eigen acties, gevoelens, verlangens. Daarnaast: het willen helpen van anderen die bezig zijn met hun persoonlijke ontwikkeling.
* Zelfbewustzijn en zelfcontrole: Bewust zijn van eigen mentale en gedragsmatige doen en laten. Stabiliteit in persoonlijke eigenschappen. Bewustzijn dat sommige persoonlijkheidskenmerken belangrijker zijn dan andere.
* Synthonie, identificatie en empathie: Synthonie is spontaan meevoelen met anderen vanuit sociale interesse. Identificatie is een meer verstandelijke en bewuste vorm van meevoelen met anderen. Empathie is een liefdevolle acepterende houding naar alles wat leeft.
* Object en subject in het zelf: Het kijken naar jezelf van buitenaf (als object) en als ervaringsdeskundige (subject). Zelfonderzoek, zelfobservatie in dienst van je eigen mentale ontwikkeling. Actieve, constante zelfontdekking.
* Derde factor: Bewuste keuze voor elementen uit het zelf en de omgeving die behouden of verworpen dienen te worden. Coördinator van het interne mentale milieu.
* Innerlijke mentale transformatie: Het proces van persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij de veranderingen in de emotionele structuren het meest cruciaal zijn. Deze ontwikkeling staat los van biologische ontwikkeling en psychologisch type. Stresssituaties hebben weinig effect op de innerlijke stabiliteit. Mogelijkheid tot diepe innerlijke concentratie (zoals meditatie)
* Zelfeducatie en autopsychotherapie: Psychoneurosen en stresssituaties worden gezien als ontwikkelkansen en mogelijkheid tot versteviging van de eigen ontwikkeling (auto-psychotherapie). Je gaat op zoek naar informatie die je helpt in de vorming van je persoonlijkheid (zelfeducatie). Alleen zijn en concentratie spelen een belangrijke rol in dit proces.
* Autonomie: Vrij van handelen en drijfveren van lagere impulsen. Gedragingen zijn overeenstemmig met je persoonlijk ideaal.
* Authenticiteit: Expressie van de eigen emoties, cognities en attitude. Consistent met de eigen hiërarchie van waarden.
* Sturing vanuit de kern: Leven volgens de eigen hiërarchie van waarden, intuïtie, zonder na te denken.
* Persoonlijk ideaal: De standaard waartegen iemand zijn eigen ik evalueert; het ware zelf.