Dit artikel is deel van een tweeluik met Laura Stavinoha, die vanuit haar eigen ervaring met de overgang schrijft. We zijn allebei, ieder op onze eigen manier, onthutst geraakt door het proces, gaan zoeken hoe we ons ertoe kunnen verhouden, blijven zoeken naar hoe het beter kan, en hoe we hiervan kunnen groeien als mens. Haar weg zag er anders uit dan de mijne, en dat verschil vonden we beiden erg interessant. Als je tien vrouwen vraagt naar hun proces, zul je veel overlap zien, maar ook ontzettend veel verschillen. De overgang kan zoveel verschillende gezichten hebben. Wij denken, merken, geloven, dat het waardevol is die gezichten te zien, elkaars verhalen te kennen. Vanuit dit perspectief delen wij dan ook graag onze ervaringen. Dit zijn de verhalen van ons overgangsproces, tot dusver, bekeken door de lens van de positieve desintegratie.
De overgang. Dat is toch iets voor oude vrouwen? Dor, droog, futloos, zo stelde ik het me vroeger voor. Iets wat op een dag begint en wat je dan een paar jaar ‘uitzit’, met wat opvliegers en een slechter humeur, tot het over is en je verder kunt met de rest van je leven.
Iets voor vijftigers, want die zijn oud. Dacht ik toen (vergeef me alsjeblieft, ik weet inmiddels beter, vijftigplusvrouwen zijn ge-wel-dig, ik wil er ook een worden, later als ik groot ben). Maar dit dacht ik. En toch zat ik op mijn vierenveertigste huilend bij de huisarts, de overgang als potentiële verklaring voor mijn eigen klachten aan haar voor te leggen.
Wat volgde was niet dor, droog en futloos. Het was, en is nog steeds, een van de meest ingrijpende transformatieprocessen die ik tot dusver heb doorgemaakt. Niet één crisis met een begin en een eind, maar iets wat zich telkens opnieuw aandient: een terugval, een aanpassing, een nieuw stuk van mezelf dat tevoorschijn komt. Een cyclisch proces.
Als voormalig psycholoog ken ik het werk van Kazimierz Dąbrowski, de Poolse psychiater en psycholoog die crises niet zag als iets om te vermijden, maar als potentiële motor voor groei. Zijn theorie van positieve desintegratie is mijn favoriete model voor persoonlijkheidsontwikkeling. En hoe langer dit proces van de overgang duurt, hoe duidelijker ik zie: dit is precies wat er ook met mij gebeurt. Niet één positieve desintegratie, maar een reeks. Een proces dat zich telkens herhaalt, en me elke keer weer dieper in mezelf brengt.
Voor wie Dąbrowski niet kent: zijn theorie van positieve desintegratie (TPD) draait om een simpel maar radicaal idee. Psychische groei verloopt volgens hem niet soepel en lineair, een keurige lijn naar een stabieler zelf. Groei vereist het uiteenvallen van hoe je in elkaar zit, je aannames, je gewoontes, je manier van omgaan met jezelf en anderen. Soms gebeurt dat expres, doordat je je eigen gedachtes gaat onderzoeken, soms gebeurt het door wat je overkomt. Dat uiteenvallen, die desintegratie, voelt vaak als crisis: onzekerheid, spanning, soms wanhoop. Maar volgens Dąbrowski is zo’n crisis niet per definitie een teken dat er iets mis is. Het kan ook het begin zijn van iets beters.
Het onderscheid dat hij maakt, is cruciaal. Er bestaat eenlagige desintegratie: je valt uiteen, maar zonder duidelijke richting omhoog. Je raakt verward, je oude structuur brokkelt af, maar er komt niets beters voor terug. En er bestaat meerlagige desintegratie: je begint een oud niveau van functioneren te zien vanuit een beter perspectief, je voelt het verschil tussen hoe het was en hoe het zou kunnen zijn, en dat besef drijft je vooruit. Niet terug naar hoe het was, maar naar een nieuwe, meer bewuste manier van bestaan.
Wat je daarbij op koers houdt, wat maakt dat iemand bij crises voortgedreven wordt in plaats van stilvalt, noemde Dąbrowski de ‘derde factor’: een innerlijk kompas, een drive om jezelf te begrijpen en te verbeteren. Het vermogen om zelf te kiezen wat je wilt behouden en wat je wilt loslaten, in plaats van simpelweg mee te bewegen met wat je omgeving of je opvoeding je heeft meegegeven.
Waar de theorie meestal wordt toegepast op emotionele of existentiële crises, wil ik hem hier toepassen op iets fysieks: het hormonale proces van de overgang. Wat mij opviel, was dat mijn overgang zich niet gedraagt als één crisis met een begin en een einde. Ze gedraagt zich cyclisch. En dat maakt haar, denk ik, tot een mooi voorbeeld van hoe positieve desintegratie werkt: telkens opnieuw.
Voor ik naar de huisarts ging, sliep ik al jaren slecht. Ik was al jaren moe. Er ging een heleboel goed: een leuk leven, een fijn gezin, fijne vrienden, leuk werk, gezond. Op papier was mijn leven een dikke acht. En toch voelde ik me alsof ik mijn beleving van dat fijne leven met heel veel moeite op een zesje wist te krijgen.
Want ik was vooral moe. Intens moe. Ik wilde niks, wilde niemand om me heen, had nergens energie voor. Mijn hersens leken veranderd in watten. Concentreren, nadenken, langere tijd gefocust werken: wat was dat ook alweer? Alle prikkels, geluiden, drukte, rommel, beslissingen waren me binnen no-time te veel. Alsof mijn hoofd een emmertje was dat nog maar een fractie van zijn oorspronkelijke grootte had. Mijn lijf piepte en kraakte: ik had meer last van allergieën, was stram, had regelmatig hartkloppingen, vooral ’s nachts. En ik was geïrriteerd, vreselijk snel, en om het minste of geringste. Kijk niet naar mij. Adem niet in mijn buurt. Laat me met rust. Niet zo leuk voor mijn thuisfront, zij deden wat ze altijd deden, maar ik kon het op veel momenten nauwelijks verdragen.
Was dit een burn-out, alweer? Waren dit restklachten van de vorige burn-out, vijf jaar geleden, misschien? Was het de leeftijd? Had ik ‘gewoon’ te veel hooi op mijn vork? Werkende moeders hebben het nu eenmaal druk, maar zoveel werkte ik ook weer niet. Als dit al niet ging, wat kon er dan nog wel?
Gelukkig had ik vriendinnen die dit hormonaal schuivende pad al voor mij hadden betreden en er openlijk over deelden: waar ze tegenaan liepen, wat hielp, wat niet. Ik herkende steeds meer, zocht online verder en herkende nog weer meer. Wat kon er allemaal niet bij die overgang horen en waarom wist ik dit niet?
Ik kwam veel tips tegen, zoals mediteren, wandelen, goede voeding, supplementen. Deed ik allemaal al. De balans bewaken, niet te veel hooi op je vork. Deed ik ook, maar het was nooit genoeg. Er kon steeds minder, zo voelde het; die vork werd steeds kleiner. Zorg voor genoeg slaap en rust, was het advies. Tja. Hoe dan, als slapen sowieso al niet lukte.
Een andere tip was hormoontherapie. Ook daarover hoorde ik vriendinnen zeer lovend spreken. Je kunt mediteren tot je een ons weegt, en dat deed ik, en steeds minder hooi op je vork nemen, maar als het om een fysiek proces gaat, is er misschien ook gewoon een fysieke oplossing nodig.
De huisarts bij wie ik huilend mijn verhaal deed, vond me wel wat jong voor de overgang. Gelukkig wist ik dat mijn eigen moeder rond dezelfde leeftijd als ik bij de huisarts had gezeten, met dezelfde hartkloppingen die ik nu ervoer. Zij was relatief vroeg in de overgang geraakt. Voor mij, en gelukkig ook voor de huisarts, was dit voldoende reden om de hormoontherapie te proberen.
Geef het een week of drie, zei ze, voor je de eerste effecten kunt verwachten. Met een maand of twee weet je echt wat het doet.

Maar na drie dagen klaarde de mist in mijn hoofd al op. Met de dag voelde ik me helderder, steviger, minder geïrriteerd, minder moe. Alsof dat emmertje letterlijk groter werd. Ik durfde het eerst bijna niet te geloven, maar het was echt zo, en het bleef.
O, wat was ik blij. Maar ook verdrietig. Want zo had ik me sinds de geboorte van onze oudste zoon, destijds twaalf jaar oud, niet meer gevoeld. Alsof ik mezelf terug had, en pas op dat moment goed besefte hoezeer ik mezelf al die jaren kwijt was geweest. Ik voelde veel verdriet, om wat er al die tijd niet was geweest, en tegelijk een enorme levenslust om alles in te halen wat ik zo lang had geparkeerd. Al die pannetjes die op het vuur hadden gestaan op een laag pitje, met het deksel er zorgvuldig op. Al die dingen die ik zo graag deed, maar waarvoor ik geen energie had gehad. Alle energie was opgegaan aan zorgen, werken, en dan nog een beetje voor mezelf zorgen, en dat was het dan wel.
De hormonen gaven me mezelf terug. Ik heb moeite gehad met dat idee, dat je daarvoor iets kunstmatigs nodig hebt, dat het niet ‘op eigen kracht’ kan. Maar ik vind, en vond, het ook mooi. Doordat ik die hormonen ben gaan gebruiken, en doordat ze bij mij zo goed aansloegen, ben ik de overgang gaan zien als een heel positief proces. Alsnog ontregelend, verschuivend, ingewikkeld soms, maar wel positief.
Er kwam veel nieuwe energie vrij. Ik schreef romans. Ik reisde, alleen, en ontdekte hoe heerlijk ik dat vond. Ik werkte meer, en met meer focus en plezier. Ik kon thuis weer gezellig en met goede zin aanwezig zijn. En ik herontdekte hoe nieuwsgierig en ondernemend ik eigenlijk ben, iets wat ik was vergeten zonder te beseffen dat ik het vergeten was.
Dit is, denk ik, waar voor de meeste mensen het verhaal zou eindigen. Crisis, oplossing, herstel. Next level unlocked, zoals mijn gamende zoons zouden zeggen. Maar zo werkte het bij mij niet. Wat ik toen nog niet doorhad: dit was niet het eindpunt van een proces, maar het eerste plateau in een proces dat nog lang niet klaar was (en is).
Ik ben nu bijna drie jaar bezig met hormoonsuppletie. En telkens na ongeveer een jaar blijkt de dosis niet meer te passen. Ik voel mezelf terugglijden: somberder, lethargischer, vermoeider, minder creatief, geïrriteerder, precies zoals ik me voelde voor ik ermee begon. Alsof mijn leven op papier nog steeds een acht is, en ik het met heel hard werken gevoelsmatig weer net tot dat zesje weet te trekken.
Het valt telkens ook samen met de wintermaanden, dus in eerste instantie wijt ik mijn klachten daaraan. Gebrek aan daglicht maakt deze schrijver geen leuker mens. Maar na een tijdje komt steevast het besef: de hormonen spelen mee. Een stukje oestrogeenpleister erbij, een aanpassing in de dosering van progesteron, en ik ben er weer. Maar tot ik dat besef, dat punt bereik, is er onvrede. Moeizaamheid. Het gevoel weer door een soort moeras te lopen, een moeras dat ik nu toch al ken inmiddels, ik wist de weg eruit toch, en nu loop ik er verdorie toch weer… En dat gevoel zet iets in gang, zet aan tot verandering. Een herevalueren van hoe ik dingen aanpak, een bijsturen van de koers. De dalende hormoonspiegels in mijn eigen lijf geven bovendien een andere houding tegenover anderen, tegenover zorgtaken, tegenover werk, tegenover van alles. Een proces dat zowel fysiek als mentaal is als iets van ‘het opnieuw vormgeven van mijn leven’.
De onvrede voelen, en er vervolgens iets mee doen, met hulp van de energie die de hormoontherapie me geeft. Wat een vreemd en mooi weefwerkje wordt het zo, die overgang.
Voor mij is de theorie van Dąbrowski hier telkens prachtig op toepasbaar. Positieve desintegratie wordt meestal beschreven als iets wat je misschien een paar keer in je leven ingrijpend doormaakt: een crisis die je op een hoger niveau laat landen, waarna het weer stabiliseert. Bij mij lijkt het zich in deze fase elk jaar opnieuw af te spelen, in een herkenbaar ritme. Eerst de dalende hormonen en de toenemende klachten. Dan mijn poging ermee om te gaan, me afvragen wat dit betekent, wat er anders kan, anders moet, fysiek én mentaal. Dan een nieuw evenwicht. En na verloop van tijd valt dat evenwicht weer uiteen, en begint het opnieuw.
Niet één crisis dus, maar een reeks. Meerdere positieve desintegraties na elkaar, elk met hun eigen aanleiding, hun eigen worsteling, en hun eigen stukje groei. Dat is wat ik bedoel met een cyclisch desintegratieproces: niet lineair van crisis naar herstel, maar een spiraal, waarbij ik elke ronde weer een stukje dichter bij mezelf lijk te komen. Ook al voelt elke ronde op het moment zelf als teruggaan, weer dat moeras in.

De meest recente daling van mijn eigen hormoonproductie was vrij scherp, en gaf een fors en onverwacht effect. Er kwam, en komt nog steeds, een enorme drang vrij om mijn vleugels uit te slaan. Wat heerlijk is, en heel leuk. En ook best ingewikkeld, in combinatie met een lief en dierbaar gezin. Het voelt soms alsof ik een zesspan grote, briesende, Friese paarden probeer te mennen. Ze hebben een hele tijd op stal gestaan, en nu willen ze maar één ding: gáán! En aan mij de taak dat een beetje in goede banen te leiden.
Dat gaat met vallen en opstaan. Een van de lastigste en opvallendste dingen aan deze fase is dat mijn zorgbehoefte vrijwel verdwenen is. Niet een beetje, ik ervaar een bijna fysieke aversie tegen de gedachte om voor mensen te moeten zorgen. Natuurlijk, als er iemand in nood is of iets echt niet kan, help ik met liefde. Maar het dagelijkse managen van alle kleine gezinstaken, onthouden, herinneren, opruimen, voorsorteren, al dat soort dingen, het grijze gebied tussen ‘een ander kan dit niet’ en ‘zo doen we het nu eenmaal al jaren, geen idee waarom’, ik wil het écht niet meer. Sorry, mensen. En tegelijk: hallo wereld, wat ben je leuk, wat wil ik er graag op uit. Er is nog zoveel te ontdekken en te leven.
Dat vraagt om aanpassen, van alle betrokkenen. Opnieuw een systeem dat desintegreert, en het zoeken naar een nieuwe modus. Ik heb me als vrouw in mijn gezin vaak aangepast aan de wensen van een ander en mijn eigen behoeften geparkeerd, op een lager pitje gezet. We leven al zo lang samen op een bepaalde manier, met een bepaalde taak- en rolverdeling. Zeker als je kinderen klein zijn, kan het ook haast niet anders dat je je als ouders aanpast, zij voegen zich immers minder, of niet. Nu lukt dat me niet meer, zoveel aanpassen, en wil ik het niet meer. Dat is flink wennen, voor mezelf en voor de omgeving. Temidden van de hormonverschuivingen is een andere vrouw tevoorschijn gekomen. Minder voorzichtig, minder afwachtend, scherper, met behoefte aan een groter leven. Met veel energie, zeker zolang ze dat grotere leven ook kan leven. Het aanpassen voorbij, althans, het aanpassen steeds meer loslatend en afwegend tegen haar eigen belangen.
Dat vraagt iets van mijn omgeving: hoe reageert die op een vrouw die zich minder aanpast dan ze gewend zijn? Het vraagt ook iets van mij: afstemmen op wat ik zelf wil én wat de ander wil. Beiden afwegen, niet alleen het eigenbelang. Ik vind het soms lastig, ik kan niet altijd in mijn eigen tempo gaan, sommige pannetjes moeten nog altijd op dat lage pitje blijven staan. De teugels kunnen niet altijd los. Toch aanpassen, alsnog, nog steeds, terwijl het me veel moeilijker afgaat. Tegelijk wil ik het zorgvuldig doen, niet voorbijgaan aan de behoeften van mijn omgeving. Maar ook niet langer aan die van mezelf. Het vraagt om het aankijken van oude patronen, het ontmantelen ervan, en het vormgeven van iets nieuws.
Heerlijk, en soms lastig. Het proces schuurt, vonkt, knettert. Soms gaat het soepel, soms niet, soms is het leuk, soms niet, maar het is in elk geval echt.
En het vraagt dus ook iets anders van mij. Mezelf accepteren. Als zich minder makkelijk voegend, minder zorgzaam, minder bereid tot compromissen zijnde mens. Niet het verhaal dat je als vrouw voorgeleefd krijgt in de maatschappij. Nog altijd is de verwachting, cultureel bepaald, dat je als vrouw graag zorgt, uiteraard graag rekening houdt met de behoeften van anderen. Ik voel mezelf minder en minder in die vorm passen, in die mal. En dat schuurt misschien nog wel het meest, het oordeel van mezelf, ook al is dat gebaseerd op een norm die me niet langer past.
Gelukkig zijn ook hier vriendinnen die me voorgingen, die het deels herkennen. Heel fijn, want je zou je om minder schuldig gaan voelen. Hoewel ook dat schuldgevoel minder is, sinds de overgang…
Ik vind het een prachtig proces, die overgang. Het cyclische ervan, het steeds dieper in jezelf afdalen, het afschudden van bepaalde patronen en normen, jezelf steeds beter leren kennen. Niet anders meer kunnen dan unapologetically jezelf zijn, of dat nu past in wat anderen verwachten of willen, of niet. Maar wees gewaarschuwd: door zulke processen verander je. Ten goede, vind ik, maar het kan ook maken dat de relatie met je dierbaren opnieuw vormgegeven moet worden. Dat hoeft niet slecht te zijn, zeker niet. Het kan zomaar een kettingreactie aan positieve desintegraties teweegbrengen, niet alleen bij jezelf, maar ook bij de mensen om je heen. Mijn thuisfront heeft geen hormonaal gestuurd proces te doorstaan zoals ik. De pubers in huis trouwens wel, maar op een andere manier, maar mijn partner niet. Hij krijgt het er ook maar bij, zo’n cyclisch desintegrerende vrouw. Hoe we hier samen uitkomen, en hoe dat ook een positieve desintegratie kan worden voor ons als geheel, is nog volop in onderzoek. Ik heb daar nog geen nette conclusie voor. Ik ben wel heel benieuwd…

Ik kan dit stuk sowieso niet afsluiten met een nette conclusie, want het proces is niet klaar. De overgang is nog niet klaar, en ik denk dat positieve desintegratie, crisis en groei, pas klaar is als je leven voorbij is. Dat is misschien wel de kern van wat ik heb geleerd: positieve desintegratie is geen gebeurtenis die je ooit definitief achter je laat. Het is geen berg die je beklimt om vervolgens voorgoed op de top te blijven staan. Het is een terugkerend ritme van uiteenvallen en opnieuw samenkomen, telkens op een iets ander niveau.
De overgang begon eerder dan ik had verwacht, en voelde eerst vooral als verlies: van energie, van scherpte, van mezelf. Maar een aantal jaar en meerdere golven verder zie ik het steeds duidelijker als iets anders: een krachtige, soms ongemakkelijke, maar vooral mooie motor voor groei. Niet één positieve desintegratie, maar een hele reeks, die me telkens weer een stukje dichter bij mezelf brengt. Hoewel de ‘nieuwe ik’, die scherpere, hoekiger versie, ook een tikje onpasselijk wordt van zulke termen.
Misschien kunnen mijn ervaringen een uitnodiging aan anderen zijn, aan jou: naar welke crisis in jouw leven zou je eens door deze lens kunnen kijken? Niet als iets wat je moet oplossen en dan achter je kunt laten, maar als een terugkerend proces dat je, hoe ongemakkelijk ook, telkens weer een stap dichter bij jezelf kan brengen.
Op 5 oktober wordt het tweede deel van dit tweeluik gepubliceerd, geschreven door Laura Stavinoha. Wat Laura en ik gemeen hebben in dit proces is het kompas van de derde factor is: we zijn geen van beiden blijven hangen in de vraag ‘waarom overkomt mij dit’. We zijn allebei op zoek gebleven naar wat het ons kan brengen. Naar hoe het beter kan, hoe we ons tot deze verandering kunnen verhouden, en hoe we ervan kunnen groeien. Onze ervaringen zijn heel anders, en dat is precies waarom dit een tweeluik is geworden in plaats van één stuk. Beide ervaringen zijn vormen van positieve desintegratie. Beide vragen om radicale acceptatie van jezelf, op dit moment, waar en wie en hoe je nu bent.
Laura heeft juist in ‘minder doen’ acceptatie gevonden, zij vond rust in overgave, terwijl ik onrust ervaar, energie, mezelf als scherper en hoekiger ervaar en probeer dat zesspan paarden te mennen. Haar advies aan mij: maak van al dat uitvliegen en al die energie niet je identiteit. Dat is een nuttige waarschuwing. Ik kan er niet vanuit gaan dat deze golf blijft zoals hij nu is. Misschien is ook dit weer een fase in de cyclus, niet het eindpunt, maar één ronde van vele.
Mijn advies aan Laura: vertrouw op het cyclische proces. Ook al heb je nu het gevoel dat je veel bent verloren waar je aan hechtte, de huidig overgave is misschien wel een voedingsbodem van waaruit nieuwe dingen ontstaan, met nieuwe versies van jezelf die je nog niet voor mogelijk had gehouden. Het proces is nooit klaar, zolang je leeft…