Wanneer ik bij mijzelf naar binnen keer, kom ik keer op keer een idealistische zoektocht tegen naar het ‘goede’. Veel van wat ik doe wordt naast de ‘lat van een moreel ideaal’ gelegd. Het liefst wil ik verbinden op zielsniveau, conflicten de wereld uit helpen, klimaatverandering tegengaan, rechtvaardige verdeling van goederen en diensten bevorderen, een goede vriendin, vrouw en moeder zijn. En dat op een rechtvaardige, eerlijke, niet vrijheids- of gelijkheidsbeperkende manier.
Deze lat lag lang hoog. Te hoog. Onrealistisch en onmenselijk hoog. Ik creëerde met mijn zoektocht naar vrije, rechtvaardige gelijkheid ongezonde druk op mezelf. Mijn gezondheid leed eronder waardoor ik zelf het levende voorbeeld was van de wanhopige gebrokenheid die ik tegenkom in de zoektocht naar het ‘goede’.
Ik voelde aan alles dat ik iets van mijzelf verwachte wat ik niet waar kan maken omdat ik er helemaal geen invloed op heb. Die verwachting lekte energie. Veel energie. Mijn invloed is immers beperkt. Maar die constatering frustreerde me dusdanig dat ik er liever bij vandaan bleef. Harder en harder zag ik mezelf werken. Met de lineair groeiende onmogelijke verwachtingsdruk nam mijn uitputting exponentieel toe. Daar komt bij dat goede en mooie dingen bereiken veel moeilijker is dan slechte dingen veroorzaken. Hiermee doel ik niet alleen op bewuste vernieling of sabotage. Ik doel ook op het feit dat ik de plank zomaar kan misslaan, waardoor het beetje impact dat ik heb op een zorgvuldig opgebouwd kaartenhuis van schoonheid, gemakkelijk omvergeworpen wordt. Deze angst verlamde me en maakte dat ik stil kwam te staan in het harde werken. Deze idealistische vorm van stagflatie maakte dat ik een afwachtende houding aannam en stiekem hoopte dat iemand anders een initiatief zou nemen om de wereld een stukje mooier te maken.
Met impactloze druk die angstig doet verstarren, worden wereldproblemen niet opgelost. Had het dan wel zin om er überhaupt moeite voor te doen? Of kon ik net zo goed YOLO alleen aan mijn eigen natje en droogje gaan denken? Die gedachte maakte me machteloos en gaf me het gevoel dat ik niks toevoeg en overbodig ben. Mijn idealisme sloeg telkens stuk op teleurstelling.
In wanhopig idealisme schuilt een risico op verstarring wanneer ik denk dat ik iets moet doen wat ik niet kan. Idealistisch geluid wordt dan een schijnvertoning, geframed in nobelheid: een angstige vlucht voor het maken van persoonlijke impact.
In deze ongebalanceerde vorm van idealisme en moedeloosheid zag ik een discrepantie tussen energie en uitputting, wilskracht en moedeloosheid, gejaagdheid en depressie. Zolang ik bleef bewegen tussen deze ongebalanceerde vorm van idealisme en moedeloosheid, zoog deze discrepantie mij leeg. Ik bewoog tussen uitersten die elkaar bleven tegenspreken. De wil om iets te doen aan wereldproblemen hield mij in beweging, maar die beweging putte mij uit omdat ik geen effect zag. Ik miste de dialectiek tussen deze uitersten.
Beide uitersten ontnamen mij het genieten in het moment, het zicht op de mooie dingen van het leven en de schoonheid in de kleine dingen. Impact die ik wel had (bijvoorbeeld in mijn relatie of richting mijn kind) viel mij niet op en ik belandde in een tunnel van machteloze woede. Vooral woede op mijzelf vanwege mijn ‘tergende nutteloosheid’. Ik strookte niet met het idealistische beeld wat ik van mijzelf had en ook niet met het effect dat mijn aanwezigheid zou moeten hebben. Ik was ook boos op de mensheid, omdat we niet in staat lijken te zijn om samen te werken en elkaar uiteindelijk altijd om zeep helpen.
Maar idealisme is toch heel nobel? Jezelf opofferen voor het grote geheel is toch een goede zaak? Ja, ik kreeg lovende reacties: ‘het siert je’. Wat me echter opviel is dat ik het allemaal alleen dacht te moeten doen. Wederom was ik hierin het levende voorbeeld van gebroken idealisme – hoeveel ik ook zocht naar het ‘goede’. In relatie tot anderen krijgen we immers betekenis, dus alleen kan ik niemand zijn en niets bereiken. We hebben elkaar nodig. Toch zette ik mezelf apart en klaagde ik vervolgens over gevoelens van eenzaamheid en onbegrip. Niks niet nobel – ik creëerde mijn eigen probleem en hield het zelf in stand.
Dit probleem hield in dat ik in een staat van eenzaamheid en ongelijkwaardigheid belandde vanwege mijn eigen hoge, idealistische lat. Ik vond mezelf niets, terwijl ik tegelijkertijd het onmenselijke van mezelf verwachtte. Ik hield mezelf klein, terwijl ik wel verwachte dat ik alle wereldproblemen op zou lossen. Met te weinig van mijzelf wilde ik te veel bereiken. Terwijl de ander gewoon z’n dingetje mocht blijven doen.
De constatering van deze discrepantie legde bloot dat het ergens in mij schuurde. Ik voerde een strijd in mijzelf over verschillende waarden en uitingen hiervan die ik nog niet met elkaar had verenigd omdat ik nog te veel bezig was met ‘voldoen aan verwachtingen’. Het ging over waarden als rechtvaardigheid, vrijheid, gelijkheid, eerlijkheid. Hoe verhouden deze zich tot wie ik ben en wie jij bent? Wie mag ik zijn in relatie tot jou en hoe krijg jij dan vorm? Hoe zorg ik ervoor dat ik jou zie zonder mijzelf te verliezen? Wat is mijn individuele verhouding tot het collectief? Wat kan ik en wat kan ik niet? Wat is mijn grens en wat is mijn streven? Waar heb ik vrijheid nodig en hoe draag ik daarmee bij aan veiligheid? Hoe kom ik jou tegen wanneer ik gewoon ‘ik’ ben?
Het energielek dat voortkwam uit de discrepanties van mijn innerlijke strijd lieten zien dat ik nog gefragmenteerd was vanbinnen. Ik liet mijzelf niet heel, maar bepaalde mijn richting op basis van een oordeel over wat ik deed, wat ik liet, wie ik ben en wie ik mocht zijn. Ik had zoveel zelfverwijt en afwijzing over de persoonlijke impact die mij in potentie is gegeven, dat ik het niet gebruikte. Ik rommelde maar wat aan en noemde het ‘idealisme’.
Het gebrek aan zelfacceptatie en durf om de grond in te nemen die mij gegeven is, maakte dat mijn energie richtingloos in de leegte verdween. Het idealisme en ‘o zo nobele streven’ was een masker om mijn angst te verbergen – angst om mijzelf te zijn en om de impact te kunnen maken die ik wel heb. Ik durfde niet te staan voor waar ik in geloof. Diep van binnen was ik een klein meisje: bang om mezelf te laten zien, bang voor afwijzing en er niet bij mogen horen. Maar bovenal bang voor het maken van negatieve impact. Het idee dat ik de harmonie zou verstoren, was onverdraaglijk.
Ik ben bang om mijzelf te zijn en de impact te hebben die ik in potentie heb.
De innerlijke strijd vroeg om doordachte, doorleefde en doorvoelde aandacht voor de waarden die eronder liggen, zodat ik ze kon gaan verinnerlijken. Wat ik hieraan parallel te doen had, is mijzelf serieus nemen als de persoon die ik ben, zodat ik de impact kon gaan maken die bij mij past. Zo zou ik de grond innemen die ik gekregen heb en realistische verwachtingen van mijzelf hebben in plaats van bovenmenselijke. Zo zou ik in een gelijkwaardige relatie komen te staan ten opzichte van de ander en van de wereld als geheel. Zo maak ik mijzelf niet meer kleiner of groter dan ik ben. De energie die weglekte, zou dan meer richting en focus krijgen.
Je plek innemen betekent niet meer en minder grond innemen dan je gegeven is.
Dit wilde niet zeggen dat mijn waarden in beton gegoten moesten worden zodat ze zouden vastroesten, waardoor er in een andere vorm opnieuw verstarring zou ontstaan. Het wil zeggen dat ik ben gaan leven vanuit een kern waarin ik zowel mijzelf als de ander steeds heel houd, in plaats van fragmenteer. Zonder oordeel mag ik naar de wereld kijken. Alles mag er zijn. Kunde en onkunde, kracht en zwakheid, impact en nutteloosheid, genieten en lijden, wilskracht en angst. Alleen wanneer ik mijzelf en de ander heel houd, is er gelijkwaardigheid. Dan is niemand meer of minder.
Voor mij begon het vinden van doorvoelde waarden bij het doordenken ervan. Maar dit kon niet zonder ze te doorleven. Ik ben daarom gaan doen waar ik in geloof. Als ik mensen met elkaar wil verbinden, moet ik bereid zijn mijzelf te geven in contact. Met alle consequenties die hierbij horen, ook het risico op afwijzing of negatieve impact. De angst waar ik mij met idealistisch geluid achter kan verschuilen wordt niet overwonnen door stil te blijven zitten, te hopen dat het geluk uit de lucht komt vallen of af te wachten tot iemand anders iets gaat doen. Ik moet de stoute schoenen aantrekken en mijzelf laten zien, fouten maken, kwetsbaar zijn en mijn kracht laten zien. Ik moet bereid zijn de plank mis te slaan en resultaten te bereiken die ik nooit had durven dromen. Bovenal moet ik het ongemak van de onwetendheid durven verdragen. Want als ik impact wil maken, is het effect altijd onzeker. Ik weet immers nooit welk effect het zal hebben.
Diep van binnen kende ik allang de betekenis van mijn impact: mijn talenten, mijn onkunde, mijn zijn.
Impact is al het effect van ons handelen of ons niet-handelen. Alles wat je doet heeft effect. Aan jou de keus of je weloverwogen en bewuste impact wilt maken, of dat je jouw impact laat vertroebelen door oordeel en afwijzing.
Je kunt je afvragen waarom ik zoveel waarde hecht aan het maken van impact. Hiervoor heb ik meerdere verklaringen. Allereerst denk ik dat ieder mens op een dieper niveau impact wil maken. Niemand wil vergeten worden en we zijn bang voor een zinloos leven. Wanneer je impact maakt, tel je mee. Het geeft een gevoel dat je van waarde bent.
Daarnaast heeft persoonlijke impact nog een ander positief effect. Wanneer je deelt wat je denkt, vindt, voelt en wat je grenzen en behoeften zijn, kun je echt in contact komen met een ander. Ook wanneer dit kwetsbaar voelt. Alleen wanneer je jezelf bent, kun je de ander tegenkomen. Alleen wanneer je jezelf bent, kun je gezien worden. Wanneer je jezelf kent, kun je je oordeelloos verwonderen over de uniekheid van de ander en oog hebben voor wat de ander denkt, vindt en voelt en waar diens grenzen en behoeften liggen. Dit vermindert het gevoel van existentiële eenzaamheid.
Ook zorgt het maken van persoonlijke impact voor een gevoel van vrijheid. Je maakt jezelf niet afhankelijk doordat je acties niet afhangen van wat iemand anders wel of niet doet, je neemt zelf de regie. Het besef altijd een keuze te hebben in het gedrag dat je laat zien of de manier waarop jij je verhoudt tot een situatie, vermindert stress en geeft lucht en ruimte.
Wil je impact maken, dan moet je accepteren dat je bent wie je bent.
Het maken van persoonlijke impact kan alleen in het hier en nu. Nooit op een ander moment kun je handelen of veranderen, iets doen of iets niet doen, dan in het moment (zie ook het blog over De Controle Paradox). Het nu is het moment waar het op aankomt. Persoonlijke impact gaat erover dat jij nú durft te zijn, durft te doen en durft in te brengen. Niet straks of gisteren. Of je met je impact ook bereikt wat je wilt of had verwacht, is hieraan ondergeschikt. Het gaat erom dat je bewust een keuze maakt in het nú voor wat je doet, in relatie tot waar je voor staat. Wil je persoonlijke impact hebben, dan zal je bereid moeten zijn bewust te handelen in het moment. Je moet bereid zijn om initiatief te nemen in plaats van jezelf afhankelijk maken van wat anderen wel of niet doen.
Wanneer ik naar mezelf kijk, dan zie ik dat ik hier veel kansen laat liggen. Ik noem niet welke patronen mij opvallen, omdat ik te bang ben voor weerstand. Ik praat soms juist te snel, waardoor ik de ander geen ruimte geef voor diens proces. Soms zeg ik bewust niets, uit angst voor schaamte of afwijzing. Mijn bewuste ‘doen’ en ‘niet doen’ kan echter groot effect hebben wanneer ik het inzet. Andere aanwezigen ervaren vaak veel meer herkenning dan ik in eerste instantie verwacht. Het inbrengen van mijzelf en het openstaan voor de ander, zijn daarmee heel verbindend. Ook wanneer ik de plank missla, want juist dat biedt stof voor een gesprek.
Negatieve impact kan een positief effect teweegbrengen wanneer ik bereid ben dit aan te gaan.
Persoonlijke impact maken is dus iets wat je nodig hebt als mens. Het geeft je levensenergie. Logischerwijs lek je energie wanneer je streeft naar de ‘verkeerde’ impact. Dat wil zeggen impact die niet bij je past, impact die tot ver buiten je invloedsfeer reikt of impact waarin je jezelf voorwaardelijk afhankelijk maakt van de acties van anderen en je geen regie pakt. Persoonlijke impact gaat om het besef dat je de keuze hebt om je eigen acties en daarmee de situatie te beïnvloeden. Met het accepteren van deze persoonlijke impact, moet je ook accepteren dat deze beperkt is.
Je kunt niet geven wat je niet hebt
Mijn impact reikt niet verder dan het reikt. Ontwrichte systemen kan ik niet in mijn eentje veranderen en eeuwenoude wereldproblemen kan ik niet oplossen. Om te voorkomen dat de moedeloosheid weer de overhand neemt, moet ik dit accepteren. Via milde acceptatie kan ik verdragen dat sommige dingen zijn zoals ze zijn. Zonder ze weg te stoppen, maar juist door te leren mij ertoe te verhouden. Van daaruit kan ik mijn handelingsperspectief concreet vormgeven.
Dit betekent voor mij dat ik de eenzaamheid en gebrokenheid die het leven kent moet accepteren. We komen elkaar niet altijd tegen en harmonie wordt altijd ingehaald door de chaos. Ik kan dat niet oplossen. Via acceptatie kan ik openstaan voor het idee dat dit niet eens een probleem hoeft te zijn. Disharmonie biedt immers kansen tot het creëren van iets nieuws. Chaos behelst potentie. Gebrokenheid vraagt om creativiteit.
Dit bewustzijn helpt mij om mijn idealisme te focussen. Ik verzand niet langer in de uitzichtloosheid van nutteloze impact, maar kies heel bewust welke impact ik wil maken met de mogelijkheden die ik gekregen heb. Bijna zonder schuldgevoel kan ik nu andere zaken laten liggen 😉
Bewust kiezen voor de impact die je wil maken, vraagt om een dans rondom je vermogen en je grens, je wilskracht en verwachting, mogelijkheden en vertroebeling, willen en kunnen.
Een bewuste keuze voor het maken van impact in het moment, biedt de mogelijkheid dat ik en de ander in gelijkwaardig contact blijven. Zo ontstaat er dialectiek tussen idealisme en moedeloosheid. Het mag er beide zijn, sterker nog, het voedt elkaar. Mijn idealisme drijft me voort, de moedeloosheid voorkomt roekeloosheid. Moed en angst vullen elkaar aan en zorgen in de dialectische balans voor lucht en vrijheid, in plaats van dat ze een discrepantie vormen die ervoor zorgt dat ik verdrink in een innerlijke strijd. Door het bewust doorleven van deze realistisch doordachte verwachtingen van mijzelf en de wereld, doorvoel ik dat ik heel blijf. Mijn boosheid naar de wereld wordt milder. Nu kan ook zij heel blijven in haar gebrokenheid.
Nu kan de wereld heel blijven ondanks haar gebrokenheid.